Reageer met jouw woorden op bovenstaande tekst van Ivo Victoria.
Dat kan tot 22 januari. Op 23 januari verschijnt een nieuwe tekst. 
Je maakt kans op publicatie in een exclusief notaboek. 

Schrijf jouw echo

Met de wedstrijd ‘Stem & Echo’ verzamelen wij zeven tweeluiken, zeven stemmen en zeven echo’s. 

Voor de stemmen zorgen wij, voor de echo’s zorg jij! 

 

Jouw echo

Heb jij een antwoord op dit verhaal?

Schrijf jouw echo

INZENDINGEN

Week 1

Bernard Lichtaard

Zo zit dat Met een antwoord op de vraag naar het geluid van één klappende hand zit men zonder echo in het moment. Men zou naar Kyoto kunnen gaan maar morgen is het antwoord anders en waarschijnlijk is de oude kaalkop niet thuis. Met één hand kun je een vlieg vangen, een dwaas wegwuiven of aandacht vragen, je zou kunnen zwaaien naar je geliefde. Voor het geluid van één hand op reis naar Japan, ga eerst maar eens aandachtig een stoeptegel polijsten, antwoordt zij. Hier zitten we nu op de latjesbank, drinken een trappist en werpen elkaar zo nu en dan een woord toe.

Bas Tuurder

Dan weer, stel ik me de vraag: had ik mezelf gevonden, wie was jij dan kwijtgeraakt?

Maya Wilsens

Ja, ik herinner mij die dag. De grachten vol middagzon werden ’s nachts donker met op hol geslagen slagbomen. Het geluid maakte me onrustig. Jij was de trein die mij zou verpletteren. Ik ben vertrokken om mezelf te houden, zonder enige aankondiging. Het spijt me.

betsy vanbroeckhoven

Of misschien had ik je mijn pink moeten aanbieden en hadden we dan een ankerpunt gehad. Er zat iets in ons, zoals de woeste golven die komen en gaan. Ik herinner mij het koude zand, mijn hoofd ongemakkelijk rustend op jouw naakte bovenlijf.

Hanne Lemahieu

Nu is mijn tijd bijna om en wandel ik niet meer langs die grachten. Alleen mijn geest wandelt nog. Ik probeer haar te sturen maar zij weigert nog naar de grachten te gaan. Zij denkt niet meer aan de zon of de wind. Voor haar telt alleen nog de duisternis die weldra eeuwig zal zijn. Mijn gedachten beginnen te rennen. Zoals de teugels van een op hol slaand paard die jij in je hand houdt, glippen ze uit de greep van mijn bewustzijn. Ik begin erachteraan te rennen en zie jou vervagen in de verte. Ik grijp de teugels en het paard hinnikt goekeurend omdat ik voor het eerst zelf in het zadel klim.

Nil Leman

Grachten in de middagzon vertellen me niets over jou. Ik mis je op een mistige valavond in het Vondelpark. Je gelaat is verborgen in het duister en ik weet dat je ogen me niet zien; komt het door de mist of had ik je toen al verloren?

Sascha Beernaert

Ik voel nog iedere ochtend hoe de huidhonger aan mij vreet. Als een schildpad die haar huis heeft verlaten voor een winter die maar niet wil slapen blijf ik wachten op de eeuwigheid. Ik heb het geprobeerd met sloten koffie en het gouden horloge van je grootvader tikt nog steeds de schoorsteenmantel aan. Maar iets in mij zegt dat ik zal moeten aanvaarden dat op de deur die je achter je dichtsloeg geen sleutel meer past.

Barbie van Leeuwen

Mijzelf zonder jou, een halve zelf, een sloopbal zonder lijdend voorwerp. Serieus, de liters zeik waar een mens over beschikt als hij een melancholieke bui heeft blijven me verbazen. De liters zeik die een avondje kroeg oplevert trouwens ook. Wraak op de grachtenpanden! Ik trek door, was m'n handen, recht m'n rug, pak m'n jas, m'n sleutels, zet m'n kraag hoog en vertrek. Via het sneue grasveldje achter de Praxis naar loop ik naar de stad. "Ben!" Ik loer over de rand van mijn kraag. Een gerimpelde kop omzoomd met warrige krullen, lippenstift die uitloopt in kleine lijntjes. Nee, Ben ik niet!

Peter-Paul Geubels

Ik meen iets erg unieks, hyperpersoonlijk en waardevol te kunnen achterlaten. Ik ben een archeoloog van 54 en weet zeker dat ik iets waard ben.

Rhea Cecile

Wees niet droef, mijn lief. Ik weet alles nog. Van de tijd en grachten, de krochten van jouw gemoed. Onze handen zijn elkaar nooit helemaal verloren. Dat kan niet, bij een ongeluk. Lunchen ligt vandaag wat moeilijk. Klinken op mijn gezondheid zou ronduit morbide zijn. Maar laten we nog één keer de pendule slingeren. Tussen tijd en droom en ongeloof. Toe dan.

Tim Roose

Gelukkig herken ik ons beiden nog in onze kindjes.

Kato De Bruycker

Misschien was het wel de laatste keer dat we hier samen liepen. Misschien was het wel de laatste dag die we ons later hetzelfde zouden herinneren. Maar zelfs dan nog, dat we hier nu waren was belangrijker dan wat dan ook. Jou aanwezigheid, je blik die boekdelen sprak en de stilte die toch honderduit vertelde. Over het geweldige verleden dat we samen hebben gehad. Jammer dat die tijd nooit meer zal terugkeren.

Elise Coudré

’t Was dat ik mezelf wilde vinden. Ik kon het niet met jou. Wij waren samen één geworden, ergens in het midden beland, maar geen van beide was nog ik. Ik herinner me die middag nog als gisteren. Het punt waarop ik besloot weer voor een eigen zelf te gaan. Egoïstisch, misschien, maar ik voelde me een vreemdeling in deze stad. Vervreemd van mezelf en de plekken waar ik tevoren zo graag kwam, verloor ik jou om mezelf terug te winnen.

Ellen Jansegers

Ja, ik weet het nog. Natuurlijk weet ik het nog. Ik weet zelfs nog wat we aten. Jij een spaghetti en ik een saai slaatje geitenkaas. Alsof het getal op de weegschaal ons zou samenhouden. Langs het water citeerde jij Goethe maar zag ik enkel jouw stugge krullen als rietstengels tegen de wind fluisteren. Ik heb lang gehoopt dat je, als je jezelf zou vinden, ook mij zou terugvinden. Maar de jaren groeiden door, de rietstengels werden gekortwiekt en ook ik heb mezelf nooit gevonden.

Theo De Haes

De tijd vond mij en ik vond de tijd – af en toe – om te zoeken naar de plaats waar ik jou achterliet. Door het groeiend gras doolde ik, jaar na jaar, met mezelf, alleen. En ’s nachts slingerden sloopballen als pendules over verlaten industrieterreinen. Ik droomde met mijn handen in de wind, water glijdend door de stad, ging ik er lunchen, samen met jou. Nog één keer.

Danielle Jennen

"Maar je hoeft jezelf niet te vinden, dat doen anderen wel voor jou", fluister je vanuit je kleine zwarte urne waarin je lieflijk lijf als asse werd gedumpt. Dus denk ik opnieuw na over hoe ik je verloor. En over de eindigheid van liefde, ook al draagt ze de povere belofte van oneindigheid in zich. Je was al ziek die dag. De zon brandde je ogen dicht, de wind blies ongenadig je rode hoedje in de struiken. Scharlaken rood op diepgroene struiken. Ik nam een foto. Niet van jou, maar van het hoedje en de struiken. Ik denk dat ik je daar voor de eerste keer verloor.

gianfranco miglionico

Onvermijdelijk wordt ik ouder. En de lijst van spijt wordt onvermijdelijk langer. Ik praat over mezelf alsof ik leef, maar ik denk in echos. Gisteren nog keek ik naar mezelf en besefte ik dat vrijheid niet bestaat. Al mijn keuzes komen van IK maar nooit van MIJ. Ik praat over jou alsof je nog bestaat, en misschien doe je dat en misschien ook niet. In cirkels ga ik rond en rond, zonder dichter bij mezelf te komen.

x x

x

Gèry De Keyser

Iemand die me uitnodigt voor een concert maar er geen rekening mee houdt dat ik niet alles kan horen. Bijvoorbeeld lange muziekstukken waar ik het eerste kwartier niks van hoor omdat het volume langzaam verhoogt. Hij zegt daar niks van omdat hij de persoon die hem uitnodigt, wil plezieren. Hier in de beweging van mensen met laag inkomen en kinderen heeft hij daar minder stress over omdat iedereen er rekening mee houdt dat hij slecht hoort. Hij kan ook meestal de lippen zien en er is voldoende verlichting om dat te zien.

Lode Van Wabeke

Dat is altijd al een struikelsteen geweest, wat van jou, van mij, van ons was. Nu weet ik dat het een niet zonder het ander kon, dat je pas kan vinden zonder eerst te verliezen. Het was zielig hoe ik me gedroeg. Het valt me zwaar in de verleden tijd te moeten schrijven als ik klaarwakker ben, en je pas in mijn armen kan houden in die wrede, echte wereld van de dromen, waar middelmatigheid ontmaskerd wordt, onze handen terug elkaar zoeken en verstrengeld tegen gevels aankijken. Niets hoeft dan nog moeite te doen om te groeien, alles mag dan wat mij betreft stil blijven staan.

Bauke Vermaas

Ik weet nog die lunch, die stad, die grachten, herinner me handen en twijfel over wat ze zouden – zacht tikken, of sloopbal zijn? Je in het water slingeren, zodat het plonzen schuimkoppen gaf? Wat hadden we plezier. In gedachten beloofde ik de statige panden onze terugkeer, maar ik rekende buiten het industrieterrein. Verlatenheid was voordelig voor het verbodene dat wij beoogden, maar beton bleek niet te plonzen. Naderhand moest je me kwijt, dat begreep ik. Begreep jij niet dat ik iets mee wilde van jou? Jouw zelf als gezelschap in deze kleipostzegel tussen het beton waar ik nu het gras voed.

Helena Maes

Ik wou mijn verdriet aan de kant schuiven, zoals ik de lade van mijn bureau sluit en het sleuteltje probeer te verliezen. Dat wou ik. Maar de gedachte kreeg ik niet weg. Mijn verbeelding was te helder om uit te wissen. Mijn zon gaat nu stilaan onder. Ik hoop op een open nacht, maar volgens mijn gedachte weet ik het niet, want, als jij niet weet wie je bent, wie ben ik dan?

Viviane Van Pottelberghe

Neen, ik herinner mij niet dat ik ooit langs de grachten liep noch dat ik bij de verloren voorwerpen stond gecatalogeerd. Ik heb nochtans een helder moment nu. Wat was je vraag alweer? Ik ben de draad kwijt. Maak je geen zorgen, dat gebeurt de laatste tijd wel meer. Wat wilde je eigenlijk weten? Misschien kunnen we eens afspreken. Ik bezorg je mijn adres van zodra het mij weer te binnen schiet.

Marianne Vandenberghe

Ik heb je gezien gisteren. Je stond op de brug en trok traag een handschoen uit. Je streelde de ingekerfde letters op de leuning ‘R+C forever’. De wind blies de spelden uit je haar. Kopergrijze strengen wapperden voor je gezicht. Even leek je weer op het meisje van toen. Ik deed een stap voorwaarts maar bevroor bij het zien van de uitdrukking op je gezicht. Grimmig neergetrokken mondhoeken, een boze frons. Net als jaren geleden, toen je naar me schreeuwde dat je niets kon met een armoedige kunstenaar! Ik draaide me om, terug naar het statige grachtenpand waarin mijn galerij gehuisvest was.

Annika Cannaerts

Ik had het kunnen voorzien. Jij wou romantisch huppelen in de regen, ik werd alleen maar nat. Ik neigde naar de hoofden die stilzwijgend uit het water staken, hun bronzen schouders al groen aangevreten door algen. ‘Kijk, zo!’ deed je me voor, je armen gespreid als vleugels, maar de mannen in het water sloten ernstig hun ogen voor zoveel lichtvoetigheid. ‘Waarom?’ vroeg ik. ‘In het begin vond ik je mysterieus’, zei ze, ‘maar je bent gewoon saai. Je hebt de levenden, en de schrijvers. We behoren tot een ander rijk.’ ‘En de warmwaterkraan lekte weer’, zuchtte ze. ‘Dat was de druppel.'

Schrijf jouw echo

Nog 600 teken(s) resterend